Oorspronkelijk werd Dominica bewoond door de Arawak-indianen, vervolgens door de Caribs. Op zondag 3 november 1493 voer Christoffel Columbus tijdens zijn tweede reis naar Amerika langs de kust van het eiland. Onkundig van de pre-Colombiaanse naam het eiland, Waitukubuli wat 'Lang is haar lichaam' betekent, noemde hij het eiland Dominigo ('zondag' in het Spaans) waar de huidige namen van zijn afgeleid: Dominique (in het Frans) en Dominica (in het Engels en in het Nederlands).

Fort Shirley - Dominica

In 1625, tijdens de 30-jarige oorlog, staan de Spanjaarden Dominica af aan de Fransen. Tijdens de 17e eeuw vechten de Fransen en de Engelsen om het bestuur van het eiland.

Na afloop van de 7-jarige oorlog in 1763 staat Frankrijk Dominica af aan Engeland, maar nadat het nog twee keer door de Fransen heroverd is, wordt het eiland in 1814 definitief Brits.

In 1898 ontvangt het eiland de status van kolonie onder de Britse kroon. Op 3 november 1978 verkrijgt Dominica zijn onafhankelijkheid en blijft lid van het Gemenebest.

In de 20e eeuw wordt Dominica de grootste leverancier van bananen op de Britse markt. Echter, in 1992 lopen de inkomsten uit de export sterk terug, omdat het eiland zijn status van preferentiële leverancier op de Engelse markt verliest.

Momenteel investeert de Dominicaans regering in het toerisme, in de verwachting dat deze economische sector zal bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van het eiland.